Over Cruel Optimism van Lauren Berlant

Op vrijdag 22 november organiseer ik in Perdu samen met Anne-Marie van der Meer een avond naar aanleiding van Cruel Optimism van Lauren Berlant. Voor Vooys schreef ik vorig jaar een recensie over deze briljante studie, die ik hier nu integraal overneem.

‘Living on in the ordinary’. Lauren Berlant over leven en kunst in tijden van precariteit

‘She has a high rate of converting peeps’, merkte een vriendin van me op toen ik tegenover haar de lofzang hief op Cruel Optimism, de indrukwekkende, duizelingwekkende nieuwe studie van Lauren Berlant. Berlant verwierf, vooral in Amerika en binnen cultural studies, bekendheid vanwege haar trilogie over sentimentaliteit als nationaal Amerikaans affect: The Anatomy of National Fantasy (1991); The Queen of America Goes to Washington City: Essays on Sex and Citizenship (1997) en The Female Complaint: The Unfinished Business of Sentimentality in American Culture (2008). In dit nieuwe boek breidt ze haar werkterrein uit tot het heden, en naar het Europese continent. Aan de hand van een schat aan materiaal – van literaire teksten tot films, en van performancekunst tot talk shows – peilt ze hoe het voelt om te leven in een tijd van algemene onzekerheid en uitputting, oftewel ‘precariteit’, een term die de laatste jaren in opkomst is in de academische wereld om sociaaleconomische maar ook emotionele effecten te beschrijven van de veranderende arbeids- en productieverhoudingen in het postfordistische, postindustriële kapitalisme. Hoewel de problematiek van dit boek alles behalve opbeurend is, is Cruel Optimism een enerverende leeservaring: het boek slaagt erin om met energie een hoop te schrijven over werelden die allerminst blaken van optimisme.

Wat wil Cruel Optimism? Bij zo’n rijk boek verdient eigenlijk elk hoofdstuk een aparte behandeling, die ik hier helaas niet kan geven. Ik volsta daarom met het geven van enkele coördinaten. In het eerste hoofdstuk gaat Berlant in op de inhoud van de relatie die ze met de term ‘cruel optimism’ beschrijft. Het is een complexe, tegenstrijdige mix van affecten. Terzijde: affect moet hier, grofweg, worden begrepen als een gevoel dat onbewust, niet-subjectief en precognitief is, daar waar emotie de verwerkte, subjectieve inhoud is van de meer directe, lichamelijk ervaren percepties die we affect noemen. Cruel Optimism houdt er geen strikte definitie van ‘affect’ op na maar kijkt vooral naar de affectieve component van culturele of symbolische praktijken. Wreed-optimistisch zijn dan volgens Berlant de relaties die onmisbaar zijn voor het behoud van een zekere continuïteit voor het leven, voor werk en in de liefde, maar daarvoor tegelijkertijd een bedreiging vormen: ‘A relation of cruel optimism exists when something you desire is actually an obstacle to your flourishing.’ (1) Het wrede optimisme heeft dus het karakter van een double bind: een investering in verlangens en fantasieën die objectief gezien een negatieve uitwerking hebben, omdat ze het handelingspotentieel van mensen verminderen. Denk bijvoorbeeld aan het meisje Rosetta uit de gelijknamige film van de gebroeders Dardennes uit 1999, die in dit boek hun opwachting maken als vaandeldragers van een nieuwe cinéma de la précarité: iemand die zich tot op het destructieve af hecht aan een baan aan de onderkant van de arbeidsmarkt, maar waar ze niettemin haar waardigheid en identiteit aan ontleent.

Berlant roept deze denkfiguur van het wrede optimisme uit tot de emotionele grondtoon van ons contemporaine historische moment, dat enerzijds een klemmende impasse is waarin geen enkele levensvorm lang genoeg levensvatbaar lijkt, waarin overleven in onzekerheid de norm is, maar waarin anderzijds misschien toch openingen mogelijk zijn. De vraag die Berlant stelt, en die mij voor cultural studies zeer innovatief en veelbelovend lijkt, is hoe artistieke reflecties op dit precaire heden samen een gedeelde historische ervaring kunnen illustreren. De geschiedenis waar Berlant over spreekt is de onze – lopend van grofweg van 1990 tot nu – en kenmerkt zich door de ontbinding, onder invloed van de algehele verbreiding van het neoliberale denken, van fantasieën die de ideologische bedding vormden voor de naoorlogse verzorgingsstaat. Sociale mobiliteit en economische zekerheid bijvoorbeeld, en de mogelijkheid van duurzame sociale relaties.

Het is deze fantasie van ‘het goede leven’ die steeds terugkeert in de hoofdstukken die volgen, en die in verschillende scenario’s steeds gaan over de impasse die dreigt als de hoop op opwaartse mobiliteit die het goede leven aandrijft ineenstort. Berlant laat dit zien aan de hand van twee films van Laurent Cantet, Human Resources (1999) en Time Out (2001) en daarnaast via een prachtige analyse van postfordistische affecten in Promesse (1996) en Rosetta (1999), twee films van de gebroeders Dardennes over de onzekere sociale condities in het huidige Europa; een hoofdstuk over de obesitasepidemie en een voorstel voor een anti-soeverein subjectbegrip dat een nieuwe handelingspositie fundeert, die Berlant ‘lateral agency’ noemt. Steeds is Berlant geïnteresseerd in een – hoe onwaarschijnlijk dat ook mag klinken – postneoliberale formule voor het goede leven, een leven dat zich niet langer volgens de logica van een kapitalistische moderniteit voltrekt.

Berlant is bij dit alles niet zozeer geïnteresseerd in de materiële aspecten van die transformatie, noch ontmaskert ze deze fantasieën als ficties, als ideologische balsem voor de wreedheid van de rat race die de maatschappij geworden is. Integendeel, ze neemt deze fantasmatische structuren uiterst serieus als bron voor politiek handelen. Ze onderzoekt de affectief-politieke consequenties van de uitputting van die structuren, en de wijze waarop mensen hun zintuigen in dergelijke alledaagse crisissituaties – crises die door een al te systemische, homogeniserende blik doorgaans onder de radar blijven – opnieuw afstemmen. Doordat de zintuigen opnieuw worden afgesteld, ontwikkelen Berlants personages niet alleen een weerstandsbeleid (om met Jeroen Mettes te spreken) maar leren ze zichzelf ook een radicaal nieuw sensorium aan.

Cruel Optimism presenteert zo een contemporain archief van de emotionele effecten van een leven in precaire omstandigheden. Maar dit historische heden verwijst ook naar een politiek besluit: haar zoektocht naar wat ze ‘counternormative practices’ noemt is niet toekomstgericht, zoals vaak in radicale politieke theorie, maar op de mogelijkheden van een andere manier van leven in het hier en nu. Wanneer de fantasieën van het goede leven onder druk komen te staan, en het heden een lange impasse wordt, kan dat volgens Berlant tot depressiviteit, cynisme of, omgekeerd, tot een heropleving van activisme leiden, al is dat lang niet altijd het geval. Het intrigerende van Berlants visie schuilt erin dat er volgens haar ook mengvormen denkbaar zijn, ambivalentere affecten die ook potentie herbergen. Of toch niet? Passiviteit en conventionaliteit lijken net zo goed ingrediënten te zijn van het wrede optimisme. Bepaald geen progressieve sentimenten, waardoor de vraag hoe ze een emancipatoire politiek mogelijk maken heikel blijft.

De antwoorden die Berlant op die vraag geeft fascineren, en hebben vaak meerdere kanten. In die gelaagdheid van Berlants engagement met ons optimistische, en tegelijkertijd hardvochtige historische moment, schuilt de filosofische rijkdom en finesse van dit boek, maar ook de complexiteit. Ze gaat te rade bij tal van tradities en kennisgebieden, variërend van trauma studies, affect theory, queer theory, (neo)marxisme, fenomenologie, psychoanalyse, de verschillende verschijningsvormen van everyday life theory, het (post)autonomistische denken van Negri en anderen en denkers van het evenement zoals Badiou.

Die transdisciplinaire opzet maakt van Cruel Optimism een conceptuele tour de force, waarin van de lezer het nodige wordt gevergd. Er is geen eenduidige genealogie te geven van de argumenten die dit boek ontwikkelt, noch is er een theoretische school waar Berlant aansluiting bij zoekt. Steeds kijkt ze over grenzen heen, en herijkt ze de conventionele genres waarmee we naar onszelf en de wereld, maar ook naar culturele teksten, symbolische infrastructuren en praktijken kijken. Berlant wisselt hiervoor vaak, soms zelfs per hoofdstuk, van register en instrumentarium, en is nergens op zoek naar vaste grond onder de voeten. Ook theory zelf – die de cultuurcriticus vaak al te gemakkelijk een behaaglijke positie verschaft – wordt hier opnieuw uitgevonden. Die veelheid zou je als een gebrek kunnen zien, maar het is evengoed te begrijpen als een keuze: de weigering om haar analyses af te ronden is ook een vorm van speculatieve politiek.

Toch is er wel een gezamenlijke vector te bedenken die richting geeft aan de vaak zeer uiteenlopende tradities waar Berlant uit put: steeds gaat het haar om onderbrekingen in de vloeiende lijn van het alledaagse leven (dat door het kapitalisme zowel wordt georganiseerd als ontwricht); kleine scheurtjes waarin de wereld zoals die was stokt en opnieuw vertrouwd moet worden gemaakt. Ze is in zekere zin dus op zoek naar het evenement, maar verstaat daaronder niet – zoals Badiou – een dramatische breuk, die een gat slaat in het weten en waarin een waarheidsproces op gang komt waarin een nieuw subject kan worden gevormd. De genres van Berlant zijn onspectaculair en op het oog weinig politiek of transformatief. Maar net die verschuiving is de kern van het project van dit boek: een manier vinden om een alternatieve ethiek of politiek – al zijn dat eigenlijk al te abstracte termen – te formuleren in een tijd waarin crises alledaags zijn geworden, en waarin aanpassing vaak noodgedwongen is.

De analyses van Berlant zijn geraffineerd, onorthodox, en zonder uitzondering prikkelend. Zo kauw ik al een tijdje op het tweede hoofdstuk, ‘Intuitionists: History and the Affective Event’, waarin ze de geschiedenis van het marxisme herinterpreteert door de lens van het affect en tot de boude stelling komt dat affect theory een nieuwe fase aankondigt in de geschiedenis van de ideologiekritiek. Een nieuwe lectuur van het bijkans stukgeanalyseerde Pattern Recognition van William Gibson schraagt die claim. Dat alles gebeurt in een stijl die helder en geëngageerd is op een manier die je zelden tegenkomt. Soms wordt Berlants proza zelf puur affect, bijvoorbeeld wanneer ze schrijft over de door haar bewonderde Eve Kosofsky Sedgwick, een bekende affect theorist. Het boek verrijkt zo niet alleen intellectueel, maar resoneert ook breder. Het heeft me beter en anders leren denken, en nieuwe mogelijkheden geopend voor eigen onderzoek, leven en schrijven. Een mooi voorbeeld hiervan biedt ook het laatste hoofdstuk, over het verlangen naar het politieke zelf, naar een nieuwe gemeenschappelijkheid in een wereld die daar toch steeds te weerbarstig voor blijkt. Over dergelijke transversale verbanden – tussen leven en theorie, kunst en politiek – schrijft het boek indringend, maar het is er, in elk geval voor deze lezer, ook zelf een praktijkvoorbeeld van.

Het is daarom te hopen dat dit boek ook zijn weg vindt buiten de universiteit, zeker nu de verzorgingsstaat overal in de Westerse wereld, ook in Nederland, in rap tempo wordt afgebroken en een nieuwe austerity state, waarin leven steeds meer overleven zal worden, in aanbouw is. Dat is een verandering met gevolgen waarnaar het nog gissen is, maar zeker is dat Lauren Berlant hier een bevoorrechte gesprekspartner zal blijken. Cruel Optimism biedt geen blauwdruk van een andere wereld, noch is het een zelfhulpboek voor het leven in neoliberale tijden, waarin niemand veilig is en iedereen precair. Wel biedt het openingen en vluchtwegen. ‘Theorizing opens up lived alternativities in the present’, is haar bescheiden en tegelijkertijd boude opdracht voor een kritische theorie van de eenentwintigste eeuw. Of om het met het genereuze en inspirerende woorden van Berlant zelf te zeggen:

I hope you will find, in these scenarios of living on in the ordinary, where subjectivity is depicted as overwhelmed, forced to change, and yet also stuck, incitements towards your own analyses of the kinds of unraveled life to which Cruel Optimism points: impasses in zones of intimacy that hold out the often cruel promise of reciprocity and belonging to the people who seek them – who need them – in scenes of labor, of love and of the political. (21)

Het is te hopen dat die hoop, hoe wreed misschien ook, bewaarheid wordt.

Oorspronkelijk gepubliceerd in Tijdschrift Vooys, jg. 30, nr 2, 2012.

Advertenties