We lopen allemaal gevaar

Pier Paolo Pasolini is in de Lage Landen in de eerste plaats bekend als cineast. Dat hij ook als dichter en essayist een kolossale figuur is, weten maar weinigen. Hoe visionair en onverschrokken zijn werk nog altijd is, daar kwam ik achter toen ik vorig jaar het in 2010 verschenen In Danger las, een keuze uit zijn gedichten, essays en literaire kritiek, verschenen bij het geweldige City Lights in San Francisco.

Waarom Pasolini als dichter en essayist in Nederland en België nooit echt wist door te dringen? Het is gissen. Wellicht was de Italiaanse politiek van die dagen niet opwindend genoeg (Brigate Rosse, iemand?). Of misschien was Pasolini’s idiosyncratische mengsel van marxisme (hoe vulgair ook), structuralisme (hoe vrijzinnig ook beoefend) en katholicisme (hoe ketters ook) een brug te ver voor het gezapige en verkavelde intellectuele landschap van de Lage Landen. Of misschien wás het juist dat ketterse aspect, het niet aflatende tegen (linkse en rechtse) schenen schoppen dat Pasolini beoefenende, dat hem tot zo’n flamboyante en tegenstrijdige schrijver maakte.

En gelukkig maar. Want hoewel sommige aspecten van zijn essays inmiddels ietwat gedateerd en koddig aandoen (het semiologische begrippenkader, bijvoorbeeld, dat toen in de mode was), zijn ze als politieke en historische analyses nog steeds prangend en interessant.

Nog maar één type mens
Dat komt vooral door de visionaire kwaliteit van zijn essays, die hun schaduw ver vooruit werpen. Bijna maken ze de contouren zichtbaar van de neoliberale orde waarin we nu leven. Lang voordat Fukuyama het einde van de geschiedenis uitriep, zag Pasolini al hoe het kapitalisme steeds verder zegevierde en hoe onder invloed van de consumptiemaatschappij alles steeds homogener werd. Pasolini klinkt in deze stukken, geschreven in de paar jaren voor hij in 1975 werd vermoord, bijna als een soort antiprofeet, die de wereld waarschuwt voor de dreigende ondergang. Niet voor niets luidt de titel van zijn laatste interview, luttele uren voor zijn dood afgenomen: we lopen allemaal gevaar.

Dit was meer dan een politiek standpunt. Het was een ontologische diagnose – de geschiedenis en de mensheid zelf stonden op het spel. Zo stelt Pasolini in ‘Het echte fascisme en dus ook het echte antifascisme’ (1974), niet zonder hyperbool, dat de Italianen een complete gedaanteverandering hebben ondergaan. Hij noemt het een “antropologische mutatie”. Uit een verscheidenheid aan culturen en mensen is, binnen een enkele generatie, één cultuur, één soort menstype ontstaan: de kleinburger.

Die verstrekkende homogenisering was volgens hem het gevolg van een nieuw soort macht. Daarmee doelde hij niet op het historische fascisme, maar op een gemuteerde, nieuwe variant die veel dieper reikt. Een macht die abstract geworden is, niet lokaliseerbaar, en met een hoofdletter M wordt geschreven: “Ik vind hem niet meer terug in het Vaticaan, bij de bonzen van de christendemocratie of in het leger. En ik vind hem ook niet meer terug in de grootindustrie, die immers niet meer uit een handvol grote fabrieksbazen bestaat. Ik heb althans de indruk dat de industrie meer een geheel is geworden (totale industrialisering), een niet-Italiaans geheel bovendien (transnationaal).” Wie tegen deze macht in opstand wil komen, moet volgens Pasolini verder gaan dan lege, moralistische verkettering, zoals de linkse intelligentsia van die dagen probeert.

In het essay ‘Over de vuurvliegjes’ uit 1975 (pas na zijn dood verschenen) scherpt Pasolini dit onderscheid tussen oud en nieuw fascisme nog verder aan. Je kunt dit stuk lezen als een voorafschaduwing van ecologische problematiek, maar het beeld van de verdwijnende vuurvliegjes gaat verder dan dat. Het is niet alleen een analogie voor verschraling en vernietiging van de natuur, Pasolini gebruikt het ook om de verschijning van een nieuw soort macht zichtbaar te maken. Zoals de vuurvliegjes zijn verdwenen, zo is ook een bepaalde machtsbasis die van oudsher in Italië bestond afgebrokkeld. Dat is de macht van traditionele waarden, die na de oorlog alleen een christendemocratisch masker kregen maar in wezen fascistisch bleven, aldus Pasolini: het gezin, de kerk, het leger.

Totems

De macht die daarvoor in de plaats kwam was geen totalitaire macht, maar een macht die totaliseert: anders dan tijdens het fascisme, stelt Pasolini, wordt ook het bewustzijn van het volk nu aangetast, iets wat het fascisme op zo’n grote schaal nooit was gelukt.

Zonder het zelf te beseffen, zijn de machthebbers van de christen-democratie overgegaan van de “fase van de vuurvliegjes” naar “de fase van het verdwijnen van de vuurvliegjes”. “Hoe crimineel het ook lijkt, op dit punt waren ze absoluut onwetend: ze hadden niet het minste vermoeden dat de macht, die zij zelf in handen hadden en uitoefenden, niet zomaar een ‘normale’ evolutie onderging maar radicaal van aard aan het veranderen was.

Pasolini voorvoelt in 1974 al het ontstaan van een technocratische politiestaat, een controlemaatschappij waarin mensen hun eigen onderdrukking verinnerlijkt hebben en waarin de macht niet meer bij de personen zit, maar leeg blijft. Het vuurvliegjes-essay laat ook mooi iets zien van de bronnen van Pasolini’s denken en zijn kunstenaarschap: als voorindustriële intellectueel die in zijn vroege gedichten het idyllische Friulië van zijn jeugd bezingt, beziet hij de modernisering van Italië – de opkomst van een nieuwe burgermaatschappij met haar totems, Ontwikkeling en Vooruitgang – met agressieve melancholie.

Wat Pasolini ook aantrekkelijk maakt: het radicale zelfonderzoek, de bereidheid om steeds je positie opnieuw te definiëren, los van alle conventies. Pasolini houdt degenen die zichzelf als progressief of links beschouwen (soms hardhandig) bij de les. Gemakkelijk snijdt hij door clichés heen. Zo analyseert hij in ‘De taal van het haar’ de betekenis van lang haar, waarbij hij zich een geestig observator toont. Vroeger, zo klaagt Pasolini in deze boutade, kon je een fascist nog van een niet-fascist onderscheiden. Tegenwoordig is dat onmogelijk, omdat iedereen er hetzelfde uitziet. “De vrijheid om hun haar te dragen zoals ze dat willen is niet meer verdedigbaar omdat het geen vrijheid meer is.”

Zo’n inzicht vind ik meesterlijk. In tegenstelling tot wat je zou denken, gaat het hem hier dus niet om het overbekende en mythische “langharig werkschuw tuig”, maar juist om het feit dat lang haar rechtse waarden ging communiceren: welstand, conformisme en globalisering. Eenvormigheid, kortom. Van een opstandig teken, een teken van de tegencultuur, is het lange haar gaan verwijzen naar een subcultuur, die perfect verenigbaar is met het kapitalisme.

Communistisch… of reactionair
Een ander voorbeeld van zo’n inzicht, uit het gedicht “De PCI aan de jongeren”. De PCI is de Italiaanse Communistische Partij.

Toen ik het gedicht voor het eerst las, moest ik even slikken, als iemand met een links geweten en een burgerlijk bestaan. In het gedicht wordt de klassenstrijd op z’n kop gezet: Pasolini polemiseert, op de hem kenmerkende provocerende wijze, tegen de “linkse” studenten die op de vuist gaan met de politie. Hoewel Pasolini de studenten gelijk geeft, ziet hij het de confrontatie als een probleem. De reden: de studenten zijn bourgeois in de dop, die hun rechten claimen, en de politie is het rechtenloze proletariaat. In hun strijd om een nieuwe revolutionaire taal vergeten ze volgens Pasolini dat er allang een revolutionaire taal bestaat: die van de communisten. Pasolini balanceert vaak, zoals hier, op de grens van het reactionaire. Ook de boodschap van het gedicht “De PCI aan de jongeren” is hard en scherp, maar ze maakt een politiek probleem zichtbaar maakt dat nog altijd niet is opgelost.

In de apologie bij dit “slechte” gedicht, zoals Pasolini het zelf noemt, roept hij dan ook op tot “geniale zelfkritiek”. Wat zou dat kunnen zijn? Hij legt een programma op tafel: de noodzaak van nieuwe analyses, die zowel breken met de sociologie (die niet doorleefd is) als de marxistische begrippenkaders, die niet langer van toepassing zijn. Pasolini wil de desintegratie die hij om zich heen ziet grijpen begrijpen en tegenhouden. “Ik geloof niet meer in dialectiek of tegenspraak, alleen nog maar in oppositie”, zegt Pasolini in een interview met Jean-Michel Gardair in 1971.

In al zijn essays zie je het denken in actie: ze zitten vol slordigheden, herhalingen, exclamaties, en zijn vaak aaneengeregen met ongeduldige puntkomma’s. Eigenlijk is de term essays voor deze teksten dan ook niet op z’n plaats, ook al noemt de Italiaanse uitgever van Pasolini, Garzanti, de bundels waarin ze verzameld zijn gewichtig saggistica. Het zijn eerder krantenartikelen, dicht op de huid van de actualiteit geschreven. Interventies. Ze vormen bijna zijn testament – alsof hij wist dat hij niet lang meer te leven had – en laten tegelijkertijd iets zien van de wereld die onherroepelijk verloren lijkt.

Poeta civile
De gedichten van Pasolini zijn vaak even provocerend en visionair als de stukken die hij voor de krant schreef dat zijn. Soms is het regelrechte antipoëzie, zoals in het geval van “De PCI voor de jongeren”. Ook hier speelt het visionaire een rol. Wie hem uitgebreid wil bestuderen, kan beginnen bij het vorig jaar verschenen Selected poems (The University of Chicago Press). Eindelijk is een groot deel van zijn poëzie beschikbaar in Engelse vertaling. En volgend jaar zal een nieuwe Nederlandse vertaling, van zowel de gedichten en essays, het licht zien. En toch is dit maar een fractie van Tutte le poesie, die twee dikke delen beslaat.

Waarom moeten we hem lezen? Misschien omdat hij een totale dichter is, of zoals hij zelf zei: poeta civile. Voor Pasolini was de dichter evenzeer intellectueel als dichter, en geen privé-persoon.

Ikzelf heb veel aan hem gehad. Ik bespeurde bij Pasolini een verlangen te spreken met publieke stem, maar misschien meer nog de onmogelijkheid daarvan. Een verlangen waar ik ook mee behept ben en waarmee ik de poëzie ook altijd heb willen bezoedelen. In mijn eigen gedichten begon het thema van de bourgeois die tegen zichzelf vecht, tegen de bourgeois in zichzelf, zichzelf op te dringen. De zelfanalyse. En de stijl. “Zuiver magma” noemt hij het in zijn gedicht “Een wanhopige vitaliteit”, waarin ik een soort met urgentie opgeladen vormloosheid zie:

Da’s wel het belangrijkste: geen terzinen meer!
Ik schrijf weer zuiver magma!
Het neokapitalisme heeft gewonnen, en nu
sta ik op het trottoir,
als dichter, ha! [zucht]
en als burger [nog een zucht].

Het gedicht, lang en filmisch, vol snelle montages, een autorit door het neokapitalistische landschap, zit vol gefnuikt revolutionair verlangen. De dichter raast door de geschiedenis van een tijdperk, gekenmerkt door een “fascistische overwinning” en beoordeelt zijn dichtersloopbaan, die is uitgemond in een maatschappelijke dood. Een vergeten dichter en burger, die niet vergeeft:

En zo kan ik Opstellen en Klaagzangen schrijven,
Profetieën zelfs,
als poeta civile natuurlijk, altijd!

Maar uiteindelijk is dit doodsverlangen bij Pasolini niets meer dan de uiterste consequentie van wat het betekent om te leven. Een wanhopige vitaliteit.

Dit artikel verscheen eerder in Staalkaart 30, september-oktober-november 2015. De Nederlandse vertalingen zijn van de hand van Piet Joostens.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s