Eeuwige beginner: I.M. Sybren Polet

Voor Poëziekrant (december 2015) schreef ik een I.M. over Sybren Polet, dat je hieronder kunt lezen.

Op 19 juli 2015 overleed dichter, schrijver, essayist en bloemlezer Sybren Polet. Hij is voor mij een van de meest onuitputtelijke schrijvers van Nederland. Ik gedenk hem in zeven gedachten.

1. Sybren Polet heeft de naam dat hij moeilijk te categoriseren is. Hem een atypische Vijftiger noemen is in de val trappen van de geschiedschrijving, die overal eenheid en rechtlijnigheid wil zien. Polet ging zijn eigen weg, en die bracht hem ergens anders dan de Vijftigers: bij de totale mens, die niet alleen eet, praat en dicht, maar ook denkt, filosofeert en handelt. En die werelden liet hij het liefst met elkaar versmelten. Zijn experimentele ars combinatoria, de lust voor neologismen, het collageproza en de vermenging van het wetenschappelijke en technische met het lichamelijke en poëtische waren nooit vrijblijvend. Polet zocht een taal om het nieuwe en veranderlijke in de mens te beschrijven. Op moleculaire en op kosmische schaal. Hedendaagse experimentele dichters als Michael Tedja en Han van der Vegt, die net als Polet poëzie en sciencefiction samenbrengt, hebben hem goed gelezen.

2. Ruimte maken voor andere, net zo goed mogelijke geschiedenissen. De collageroman De geboorte van een geest (1974) uit de Lokienreeks vind ik daarvan misschien wel het mooiste voorbeeld. Het boek is een meerlagig tijdsbeeld van Amsterdam, waarin lijnen worden getrokken tussen een ‘Nieuw Babylonische’ toekomst, de protesten van de jaren zestig en zeventig en het koloniale verleden van Amsterdam. In dit boek is Lokien pr-man van de Gemeente Amsterdam die een tentoonstelling over het driehonderdvijftig jarig bestaan van de stad moet voorbereiden. Het is de tijd van de Nieuwmarktrellen. Terwijl hij zich inleest en de verborgen, wrede geschiedenis van kolonialisme en onderdrukking van de stad ontdekt, vervaagt het opgewekte beeld dat hij moet voorspiegelen. Documenten over slavernij en neergeslagen revoluties beginnen de roman te overwoekeren, net als utopische en dystopische visioenen – nooit is helemaal zeker wat wat is. De les van het boek, die onnadrukkelijk, zelfs speels wordt verwoord, is dat vrijheidsbeelden nabeelden van onvrijheid in zich dragen. Maar ook dat verandering een psychische energie is die altijd en overal weer kan opduiken.

3. Het literaire experiment van Polet geldt, vaak misprijzend, als didactisch: je merkt de opluchting in de kritiek als in de jaren negentig een ‘avontuurlijke’ Polet opstaat – ook al is zijn werk altijd onderzoekend geweest. Misschien moeten we zijn romans niet als didactiek zien maar zijn ze praktisch van aard. Ze laten manieren van leven zien, ideeën in de praktijk gebracht. Polet gaf zijn romans ondertitels mee als exempel en fabel, van oorsprong volkse genres, met wortels in het collectieve. Polet turnt ze van moraliteiten om in modellen voor kritische bewustwording, zonder dat ze belerend worden. Een roman als De sirkelbewoners (1970) gaat over de vraag hoe je het leven in de gemeenschap vormgeeft, hoe verschillende sociale kringen, van partij tot gezin en commune, zich tot elkaar verhouden.

4. De poëzie van Polet is wel procedureel genoemd. De gedichten hebben geen inhoud die wordt uitgedrukt maar zijn vormen en patronen waarop kan worden gevarieerd, net zoals Lokien geen psychologisch personage is maar een ‘invulfiguur’. De procedurele manier van werken bezorgde hem het stempel een kil, intellectualistisch schrijver te zijn. Maar zijn gedichten zijn evengoed sensueel, lichamelijk en lyrisch, zoals wanneer de dichter een lichaam bezingt dat eindelijk ‘niets dialectisch’ meer heeft. Dat noem ik pure liefdespoëzie. Natuurlijk is het ook filosofisch: machine staat bij Polet niet tegenover mens – Polet is niet simpelweg een humanist – maar tegenover structuur, tegenover datgene wat afsluit, beknot en scheidt. Polet weert misschien het ik uit zijn poëzie, maar dat is een oud ik, en daarvoor in de plaats komt een nieuw subject: opener, samengesteld.

5. Polet is een eeuwige beginner, een dichter van het voorlopige. Neem de indeling van Gedichten 1998 – 1948: omgekeerd chronologisch. Je begint bij het heden en leest dan terug, en komt bundels tegen die voor de nieuwe uitgave ingrijpend zijn herschreven. Maar wat een sluitsteen leek, bleek een opmaat naar nog eens zes forse nieuwe bundels, waaronder Donorwoorden (2011). Die bundels zouden mijn kennismaking met Polet worden: essayistische, aforistische, actuele poëzie die alles opengooit. Het onvoltooide is een rode draad in zijn werk. Een eerdere bundel van Polet, uit 1962, heet Concrete poëzie. Die bevat geen visuele gedichten zoals de titel doet vermoeden, maar de poëzie van Polet krijgt wel steeds meer en meer het karakter van een gebeurtenis op de pagina en is daarmee altijd onaf. Die onafheid kan in het licht van maatschappelijke ontwikkelingen worden begrepen, want ook geld, werk en taal zelf werden steeds minder tastbaar. Bijvoorbeeld in de reclame, een wereld die Polet oproept in Mannekino (1968), zijn bekendste en waarschijnlijk meest gelezen roman. Veel van zijn bundels, bijvoorbeeld Taalfiguren I en II uit de jaren tachtig, hebben een sculpturale kwaliteit, die je ook aantreft in het werk van een  dichter als Astrid Lampe, die de pagina als een multidimensionaal vlak benadert, niet als statische omgeving. Schrijven wordt zo bewerken. De poëzie van Polet is bewegende poëzie voor een predigitaal tijdperk.

6. Van zijn eerste bundel Demiurgasmen (1952) tot de laatste, Het aahh & oohh van de verbonaut (2014) wil Polet ideeën belichamen, aanschouwelijk maken, gebruikswaarde geven. ‘Ideeën om te eten’, zoals het in het gedicht ‘Organon’ uit de gelijknamige bundel heet. Een organon is een instrument van het denken. In de laatste bundel komen zelfwerkwoorden voor: levende extensies van woorden. Materie is bij Polet niet inert, maar zelf actief. Filosofie is altijd aanwezig geweest in het werk van Polet, en als je er een naam op wilt plakken, zou het misschien dynamisch materialisme kunnen zijn. Maar zijn poëzie is bovenal zelf een vorm van denken, van concepten ontwikkelen.

7. De bibliotheek van Polet bevatte een indrukwekkende verzameling boeken, van de experimentele romantraditie, die hij in essaybundels als Tussen de zwarte en de witte pagina en de bloemlezing Ander proza (1978) voor het voetlicht bracht, tot sciencefiction, waarvan hij een van de eerste Nederlandse pleitbezorgers was. Hij las breed: Kathy Acker, António Lobo Antunes, Andrej Bjelj, David Foster Wallace. Maar ook wetenschappelijke teksten, bijvoorbeeld uit de neurologie, die resulteerden in zijn speculatieve, hybride studie naar het creatieve proces, De creatieve factor. Polet hield tot op hoge leeftijd bij wat er verscheen. Maar hij dacht ook verder. Een aantal jonge dichters en literatuurwetenschappers, onder wie ikzelf, mag een aantal boeken uitzoeken uit zijn kast. Ook dat tekent Polet. Niet conserveren en cultiveren, maar doorgeven en delen zodat kennis behouden wordt en nieuwe generaties kan blijven bereiken. Met het levendige, levende werk van Polet zal dat niet moeilijk zijn.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s