011 Rachel Cusk – Transit

Een boek waar ik een aantal jaar geleden niet zo gauw naar omgekeken had. Nu resoneert het met mijn leven? Hoofdpersoon is schrijfster, in een scheiding, midden in een verbouwing, terug naar Londen verhuisd. Er trekken allemaal personages voorbij, ze wandelen het boek binnen en weer uit, zoals in ‘het echte leven’: een Albanese aannemer, twee mannelijke schrijvers met wie de schrijfster in een panel zit op een verregend literair festival ergens in de Engelse heartlands, familieleden. Ze vertellen het verhaal van hoe ze gekomen zijn waar ze nu zijn. Er is geen plot, meesterplan, iedereen is in transit, op een tijdelijke plek, midden in de nasleep van een persoonlijk leven dat in lichte staat van ontbinding verkeert. Veel speelt zich af in de ooghoeken, net buiten beeld. Racisme bijvoorbeeld – voor witte mensen dan. Migratie. Je wordt er niet mee om de oren geslagen. In het mooiste hoofdstuk komen twee mannen aan het woord over hun pijnlijk eerlijke autobiografieën, en vanzelfsprekend nemen ze alle ruimte in. Het verhaal van de schrijfster blijft op de achtergrond. Je ziet het wel, maar het licht is gedimd. En dan heb je ineens de functie door van deze lange uitweidingen. Welke verhalen domineren? Wat is voorgrond? Wat achtergrond? Hoe zou het verder kunnen gaan? De scheuren en barsten zijn bevrijdend: openingen in een verstikkend narratief.

010 Sybren Polet – De cirkelbewoners

Ik loop achter! Ik las een aantal boeken, maar schreef er niets over.

Gisteren las ik De cirkelbewoners van Sybren Polet uit. En zo, wat een boek. Polet blijft na zoveel jaren (de roman verscheen bijna 50 jaar geleden, in 1970) nog altijd overeind. Verbeeldingskracht, gelaagdheid, energie. Ik denk ook dat ik dit een van de aangrijpendste boeken van Polet vind. Waarom eigenlijk? Vanwege de intuïtieve eerlijkheid? Polet vindt van alles, hij zoekt ook, maar hij is vooral iemand die dingen oppakt en meeneemt. Zoals in alle boeken in de Lokienreeks is de hoofdfiguur een metamorfoserend personage, meer een figuur dan een mens. Of om het met de ondertitel van het boek te zeggen: een model. Een manier van leven, of niet te leven, een sociaal experiment. Zo wordt een autoritaire, conservatief-liberale politicus ontvoerd, opgesloten en heropgevoed. In De cirkelbewoners zijn de hoofdfiguren Lokien Perdok, een leraar geschiedenis, en Kilo, een primitieve holbewoner. De een is overgesocialiseerd, de ander is helemaal niet gesocialiseerd. Hun verhaallijnen vervlechten zich op een gegeven moment: de een stijgt, de ander daalt af, en ze ontmoeten elkaar in een soort schemerwereld. Zijn boeken zijn vaak een soort moderne moraliteiten, die hij gebruikt om het verhaal anders verder te vertellen. Uiteraard mixt en remixt hij daarbij uit de hoge hoed der historie. Maar om geschiedenis draait het niet, althans niet in de traditionele zin van hoe de dingen eigenlijk zijn gegaan. Bij Polet gaat het altijd om hoe de dingen ook zouden kunnen gaan. De mens is een product van externe omstandigheden, maar kan geschiedenis maken. Polet blijft altijd ‘marxiaans’ in zijn denken om het met geestverwant Constant te zeggen. Er is geen ouwelijke kritiek op vervreemding, juist de mogelijkheden van de onwerkelijkheid die de spektakelwereld van het naoorlogse consumptiemaatschappij is, worden getoond. Dit is geen humanistisch boek en dat maakt het zo vers. Polet keek verder dan zijn tijd, hoewel hij onmiskenbaar het product is van de jaren zestig (in dit boek duikt het provotariaat en de ‘onvredespijp’ op van Robert-Jasper Grootveld, maar hij wordt niet heilig gemaakt). Polet dart alweer verder, wil in beweging blijven.

009 Herman Vuijsje – De Nieuwe Vrijgestelden

Onuitstaanbare maar onthullende lectuur. Vuijsje schrijft al veertig jaar hetzelfde boek en elke keer is de boodschap ook hetzelfde: sinds de jaren zestig is een een klasse van progressieve intellectuelen ontstaan die zichzelf op allerlei belangrijke posities heeft gemanoeuvreerd, niet zozeer in de politiek, maar eerder in wat H.J. Schoo de ‘bewustzijnsindustrie’ heeft genoemd, oftewel de media. Merijn Oudenampsen heeft in De conservatieve revolutie laten zien dat deze stelling de Nederlandse tegenhanger is van de theorie van de new class die in de jaren zeventig door neconservatieven werd verspreid en later in Nederland is gemetamorfoseerd en doorgebroken onder de naam ‘linkse kerk’. Vuijsje is een schakel in de opkomst van nieuwrechts, en des te interessanter omdat hij min of meer progressief is (ik plaats hem ergens op de conservatieve vleugel van de PvdA) en de weg geplaveid heeft voor de opkomst van een term als ‘politiek correct’.

Kenmerkend voor het boekje is het, nogal cynische, gebruik van termen uit de sociologie of zelfs marxisme, zoals klasse, industrie en productie, maar dan volkomen verwaterd, of omgekat tot wapen in een cultuurstrijd: zie bijvoorbeeld een woord als spijkerpakkenproletariaat. Het heeft iets van de jarenzeventigvariant van wat nu door bureaus als Motivaction wordt gedaan: politieke en sociale marketing, bijvoorbeeld door de constructie van een klasse van postmaterialisten (denk aan een rommelig interieur met veel hout, vinyl en licht exotische kamerplanten). Daarnaast valt de stijl op. De mengeling van journalistiek lingo (met wendingen als ‘iets met “de maatschappij” willen doen’) en indrukkensociologie (gezalfd met het predikaat ‘empirisch’) is volgens mij ook invloedrijk, net als de meer literaire polemiek die Reve en Hermans bedreven en gepopulariseerd werd door GeenStijl.

Waarom dan toch lezen? In elke boutade (en dat is het argument dat ik nu geef toch wel) zit volgens mij een soort kern. Niet van waarheid, maar van een probleem. In dat geval is dat het probleem van bureaucratisering, van sociale differentiatie. Ambtenaren, zelf vrijgesteld van ‘echt’ werk, gaan zich beroepshalve bezighouden met de verheffing van de lagere klasse, maar er zelf beter van worden, of aan de hun gestelde plicht verzaken. In plaats van ongelijkheid te bestrijden, vergroten ze die, door hun eigen positie, hun eigen stand, in het glibberige idioom van Vuijsje, die zich zegt te ontfermen over de zwakkeren, maar over hun hoofden heen een robbertje uitvecht over welke elite hen mag betuttelen. Ik geloof dat dit neokritiek heet: de vernauwing van kritiek tot het aanwijzen van hypocrisie, waarbij structurele oorzaken uit het raam gaan. Geen sociologie dus, maar sociologisme, om in het idioom van Vuijsje zelf te blijven.

Directe aanleiding is verder dat ik politieke studie maak van het werk van Frans Kellendonk (1951-1990) , in wiens Brieven Vuijsje aangehaald wordt, en aan wie ook ontleend wordt: de term discriminatietaboe kom je bij hem tegen bijvoorbeeld, wat verwijst naar een boek van Vuijsje uit 1986, hetzelfde jaar als Mystiek lichaam. Ik geloof dat nieuwrechtse opiniemakers tot zijn bronnen moeten worden gerekend, en dat het iets oplevert om zijn werk te bezien in het licht van de conservatieve revolutie. Niet om Kellendonk in een hokje te plaatsen, maar om te begrijpen in wat voor politieke context hij opereerde. Dat blijft in de recente biografie van Jaap Goedegebuure bijvoorbeeld nogal onderbelicht.

Hoewel de spanningen, antagonismen en conflicten die Vuijsje (soms) aanwijst reëel zijn, worden ze alleen worden beschreven, en verdwijnen ze een groteske zwier achter een rookgordijn van een nogal goedkoop moralisme. Het gevolg: cultuurstrijd in plaats van klassenstrijd, terwijl een egalitaire, emancipatoire agenda nu tout court verdacht wordt gemaakt. Intussen worden er argumenten gegeven om de overheid dan maar uit te kleden, en een moreel reveil in te stellen dat de aan het infuus geraakte klasse van welzijnswerkers zelf, en hun gewillige proefkonijnen, kan op schudden en opzwepen tot individuele verantwoordelijkheid. Klinkt bekend?

Alfred Schaffer lovend over Lief slecht ding in De Groene Amsterdammer

In De Groene Amsterdammer van deze week bespreekt Alfred Schaffer Lief slecht ding. Hij noemt de bundel ‘overrompelend’ en besluit: ‘Wat een fijnzinnige taal intussen, en wat een aanwinst, deze dichter.’ Ik geniet nog na van deze schitterende woorden.

Lees de hele recensie hier.

007 Ursula Le Guin – The Dispossessed

Vandaag een jaar geleden overleed Ursula Le Guin. De dood hoort bij het leven zou ze zelf waarschijnlijk hebben gevonden, maar ze wordt gemist. Ik las The Dispossessed uit haar immense oeuvre. ‘Een ambivalente utopie’ kreeg het boek als ondertitel en dat is wat je leest: Le Guin laat zien hoe een anarchistische maatschappij er volgens haar in de praktijk uit zou zien en nee, dat leidt niet tot totale anarchie, maar evengoed niet tot veel zonnige vrijheid blijheid bezitsloosheid, al komen ze een heel eind. Het is bar, kaal, hard om zo te moeten leven en dat vond ik eigenlijk de mooiste politieke les uit dit boek. In de ruïnes moeten we het doen, in de moeilijkheden, niet met de zuiverheid van de leer.

De plot draait om een wetenschapper, Shevek, en zijn queeste naar een theorie die de twee vigerende natuurkundige theorieën over tijd weet te verzoenen, kortweg lineariteit en circulariteit. Voor Shevek biedt deze theorie behalve het genot van de ontdekking, van fundamentele wetenschap ook een antwoord op morele vragen. Hoe kun je je leven inrichten, zo dat je beide tijdservaringen recht doet? Niet alleen aan vooruitgang denkt, de vlucht naar voren, maar ook aan de terugkeer, het thuis? De zusterplaneet van de anarchisten wil de theorie van Shevek vooral inzetten voor het ontwikkelen van een revolutionaire, nieuw vorm van interstellair reizen, en zo de planeet koloniseren. Het lot van de aarde, dat als Terra onderdeel is van Le Guins universum, maakt duidelijk dat dit modernistische streven op rampen uitloopt. Het is beter om terug te komen op de stappen die daartoe hebben geleid.

Een hoopvol boek, daar put ik uit.

006 Laclau en Mouffe – Hegemony and socialist strategy

Aan het lezen omdat het volgens mij nog altijd pertinente lessen bevat voor links. De context van het boek, oorspronkelijk verschenen in 1985, is de crisis van links, dat op dat moment rap dreigt te worden overvleugeld door – wat nu heet – het neoliberalisme. Het socialisme, nu de rol van het historische communisme tanende is en de sociaaldemocratie wankelt, staat op een kruispunt: democratische vernieuwing of op de liberale tour, meegaan met wat Joop den Uyl, een jaartje eerder dan Laclau en Mouffe, de ‘fusie van liberale en bepaalde conservatieve elementen’ noemde. Tegelijkertijd komen er een hoop nieuwe energieën los, progressieve bewegingen schieten uit de grond of krijgen voet aan de grond: antiracisme, feminisme, homo’s, lesbiennes en transgenders die strijden voor seksuele bevrijding, de groene politiek. Ze werden – en worden – door sommigen als splijtend gezien, door anderen als beloftevolle interventies in een vastgeroeste, verlamde politieke strijd. Inmiddels weten we welke kant het opgegaan is. Links is zijn crisis nog niet te boven gekomen, het potentieel van de nieuwe democratiseringsbewegingen bleef potentieel.

Theoretisch biedt het boek een synthese van verschillende elementen: Gramsci vooral, en dan met name zijn concept hegemonie dat (samen met verwante begrippen als articulatie) gepresenteerd wordt als het conceptuele redmiddel voor de beperkingen van de homogene categorie klasse. Maar ook poststructuralistische theorievorming, vooral het inzicht dat identiteiten niet vastliggen, maar worden gecreëerd; ze bestaan niet vooraf, in objectieve zin, maar zijn een politieke uitvinding. Laclau en Mouffe betogen dat deze theoretische inzichten niet moeten worden afgewezen als valse orthodoxie, maar daarentegen de toekomst vormen van links, de kiemen bevatten van de ‘socialistische strategie’ die in de titel beloofd wordt. Bekend verhaal? In grote lijnen wel, en ik neem het boek dan ook vooral door om wat meer finesse te krijgen over de theorie. In de eerste hoofdstuk gaan de auteurs terug naar Rosa Luxemburg, die op 15 januari vermoord werd, maar dan honderd jaar geleden. Een waterscheiding in de geschiedenis van links. Het was het moment dat de sociaaldemocratie haar ware kleuren liet zien. Parallellen genoeg. Komende dagen verder lezen dus, tussen de bedrijven en reizen door.

Wordt vervolgd, onbekend is hoe.

005 Kees Ouwens – Als een beek

Kees Ouwens lezen, Kees Ouwens herlezen. Als een beek is de wording van de Ouwens die me het liefst is, hoewel het herlezen dat ik me dit jaar voorneem ook en vooral onderzoek is naar nieuwe schakeringen. De Ouwens die me het meest na staat is de Ouwens van Klem en Droom, de Ouwens uit de jaren tachtig dus. Als een beek klinkt minder getergd, lichter, het lijken opnamen uit een tijd waarin ‘nog geen smet kleeft van de komende jaren’. Mijn voorkeur is natuurlijk erg subjectief: toen ik hem in 2011 begon te lezen werd ik gegrepen door zijn worsteling en geestelijke nood omdat ik die op dat moment zelf ervoer, omdat ik het conflict herkende tussen autonomie en bestuurlijke, economische en kerkelijke dwang dat hij opvoerde. Ik laaf me ook zijn weemoed om een tijd, onherroepelijk voorbij, die nog niet door de markt bezoedeld was. Het is een soort oerscène bij Ouwens: het betreden van de openbaarheid betekent het betreden van het duister. Ook in Als een beek duikt die figuur een paar keer. Maar zijn verscheurde zelfbeeld mocht dan het mijne zijn, zijn geluksmomenten, momenten waarin de gekwelde ambivalentie oplost in een extatische beleving van de werkelijkheid, dat eveneens. In zijn taal zit strijd, de pogingen de dwang te verpulveren, te vermalen. Dit werd mijn poëtica. Ouwens’ taal is historisch en politiek, niet enkel mythologisch of spiritueel. Aan de samenhang tussen die twee wijd ik nog eens een boek. Een gedicht uit de bundel:

(…) Behep de hemelen met nacht waaronder tijd bezwijkt
bevrucht water tot menigvuldigheid, laak de realiteit
om het verzet dat als de alsem spreekt – wat onverhoord
ik wacht op het contra-seign op het akkoord, contract dat nimmer opgezegd
het bed beschrijft waarin ligt afgelegd een scheiding die scheidt.