004 The long 80s

Ze zeggen weleens dat je altijd weer teruggrijpt op het decennium vóór het decennium waarin je zelf geboren bent. In mijn geval zouden dat de jaren zeventig moeten zijn – ik ben immers van 1987 – maar het zijn, zonder twijfel, de jaren tachtig. Ik heb verder geen enkele herinnering aan de jaren tachtig en voel me in alles een kind van de jaren negentig. Maar de jaren tachtig zijn het decennium waarin de wereld zoals ik die ken is ontstaan, mijn voorwereld om het met Kees Ouwens te zeggen. Het is waar Onder normale omstandigheden begint (de frase ‘de lange jaren tachtig’ komt erin voor) en het is ook het onderwerp van het nieuwe boek waar ik nu, mondjesmaat, aan werk. Het is ook de premisse van The long 80s. Constellations of art, politics and identities, dat een verzameling microgeschiedenissen aanlegt die samen een beeld van de jaren tachtig schetsen als een decennium van wereldwijde transitie en geopolitieke herschikking. De jaren tachtig zijn het begin van het nu en luidden tevens het einde van de naoorlogse wereldorde in, zodat ze terugblikkend het laatste decennium van de geschiedenis vormen – opnieuw, vanuit Europees perspectief.

In de jaren tachtig zelf is dat natuurlijk helemaal nog niet duidelijk, zoals uit die boek naar voren komt. De jaren tachtig waren de toekomst van de jaren zestig, waarin nieuwe sociale bewegingen zich optrekken uit het moeras van de reactie, maar bleken uiteindelijk zelf uiteindelijk geen toekomst te hebben. Het boek eindigt niet voor niets in 1989, het jaar waarin de muur valt en het ‘reëel bestaande socialisme’ ophoudt te bestaan – in Europa althans. Het is ook het jaar waarin Ayatollah Khomeini aftreedt en de Sovjet-Unie zich terugtrekt uit Afghanistan, om wat minder bekende, maar niet minder belangrijke politieke gebeurtenissen te noemen. In een ander recent boek wordt 1989 opgevoerd als het begin van het neoconservatisme, belichaamd door de fatwa tegen Rushdie en de wereldwijde protesten daartegen. Zo wil dit boek een herontdekking van de jaren tachtig zijn maar tevens een poging om de bewegingen, politieke acties en artistieke vormen van toen opnieuw te activeren. Wat betekenen ze nu voor ons? De auteurs, vaak zelf actoren, geen afstandelijke historici, beschrijven de jaren tachtig niet als afgesloten en afgedaan, maar als ‘archeologie van het heden’, om het met Foucault te zeggen; ze willen een discontinuïteit aan te brengen in het verstarde nu, zoals in de jaren tachtig, voor het einde van de geschiedenis, ook volop gebeurde.

De geschiedenissen die dit boek bij elkaar brengt worden omlijst door een aantal grotere analyses, die contexten scheppen, zoals het Parijs van de jaren tachtig en een muzikaal-politieke lijn. Ze vallen uiteen in grofweg vier thema’s: tegenculturen (No Alternative?), burgerrechten (Know Your Rights), identiteitspolitiek(en) (Processes of Identification) en neoliberalisme (New Order). The long 80s is weliswar een Europese geschiedenis van de jaren tachtig, maar voert daarbinnen geen duidelijk centrum op: de geschiedenissen die het boek beschrijft zijn afkomstig uit Groot-Brittannië, Nederland, België, Frankrijk, Spanje en Portugal (eenmaal), voormalig Joegoslavië (met name Slovenië, maar ook wat nu Bosnië heet komt voorbij), Rusland (ook eenmaal) en Turkije. Tussen die landen zitten liberale democratieën bij (Groot-Brittannië, Nederland en België), postdictatoriale staten bezig met de overgang naar democratie (Spanje en Portugal), een socialistische dictatuur (Joegoslavië) en een militaire junta (Turkije). Sterk is dat dit boek niet alleen de doorbraak van de nieuwe neoliberale consensus beschrijft; het beschrijft ook de opkomst van nieuwe vormen van strijd, nieuwe artistieke expressies en het ontstaan van nieuwe subjectiviteiten op het snijvlak van ras, klasse, seksualiteit en gender, die het huidige culturele en politieke denken nog steeds kunnen bevruchten. Zo decentreert het Europa van binnenuit, en bewegen termen als democratie, postsocialisme, neoliberalisme en autonomie historisch gewicht in plaats van essentialistische eigenschappen te worden van een bepaalde cultuur of identiteit – een geplogenheid die nu net het kenmerk is van de decennia na de jaren tachtig. Het boek suggereert dat dit de eerste stap is op weg naar een alternatieve geschiedenis van de jaren tachtig. En van het nu, zou ik daar aan toe willen voegen.

Zo komt de AIDS-crisis aan bod als een paradigmatische crisis van de jaren tachtig, waarin autonomie het opneemt tegen een neoliberale bestuurlijkheid, wordt de ZMV-beweging in Nederland (zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwen) uit de vergetelheid gehaald, lezen we over de ‘socialistische’ Joegoslavische digitale technologie, tweedegolffeminisme in Turkije en anti-militarisme in Spanje. Een rode draad zijn experimenten met autonome vormen van leven, handelen en produceren. Autonomie betekent steeds wat anders, en blijkt een glibberig begrip, dat vaak in ongemakkelijke, rommelige allianties met een economisch liberalisme terechtkomt, hoewel dat zeker niet noodzakelijk is. Sterk aan dit boek is dat het de opkomt van de neoliberale consensus niet als onvermijdelijk beschrijft, maar een emancipatoire geschiedenis opgraaft. Het bevat een schat aan materiaal en allerlei soorten objecten en documenten, afkomstig uit de kunst, sociale bewegingen en politieke acties, en in verschillende media en is prachtig uitgegeven.

Het boek afficheert zich als een collectie microgeschiedenissen en heeft geen grote pretenties een totaalbeeld te scheppen. Dat is kenmerkend voor de kunstzinnige insteek, en ergens ook voor de jaren tachtig zelf: versplintering, postmodernisme en de aftocht van ideologieën zijn belangrijke thema’s in dit boek. Subjectiviteit is vanzelfsprekend; niet voor niets zijn veel van de schrijvers zelf actoren geweest, al krijgt het boek daardoor gelukkig nergens een nostalgisch randje. De weigering te totaliseren is wel de politieke spanning die dit boek als geheel kenmerkt. In hoeverre omvouwt een macrogeschiedenis deze microgeschiedenissen? Als er een gedeelde theoretische en politieke analyse is, dan is het een postmarxistische, in de hoek van Laclau en Mouffe’s Hegemony and Socialist Strategy: links moet zich opnieuw uitvinden, een toekomst geven, in reactie op de reactie van de jaren zeventig, de desintegratie van het communisme en de opkomst van een nieuwe neoliberale hegemonie. Nieuwe politieke identiteiten zijn geen belemmering daarvoor, zoals je ook nu vaak hoort, maar bieden juist een kans op nieuwe mobilisering.

Tegelijkertijd liggen in de jaren tachtig de kiemen van het overstijgen van de links-rechts tegenstelling in de Derde Weg die de jaren negentig zal kenmerken. In de jaren tachtig is dat nog zeer ambigu: er wordt gestreden tegen het terugrollen van de verworvenheden van de jaren zestig en neoliberale ‘herordening’ (West-Europa), de gebrekkige ‘defrancoïsering’ en transitie naar democratie (Spanje), de gewelddadige depolitisering van de samenleving (Turkije) en autoritair socialisme en groeiend nationalisme (Joegoslavië). Die strijd heeft belangrijke successen geboekt, maar de groei van civil society heeft niet alle ambities kunnen waarmaken. De vraag, nog steeds, is wat voor autonomie we willen. De les: er is geen culturele autonomie zonder politieke autonomie; het doel is niet transformatie van het individuele leven langs economische lijnen maar transformatie van het collectieve leven. Allemaal uiterst actueel. Na het lezen van dit boek besef je hoe veel er al gedaan is, maar ook hoe fragiel – zeg maar gerust, verdrukt – ons archief is en hoeveel er nog te winnen valt. We moeten de geschiedenis terugeisen. Te beginnen bij de voortijdig afgebroken bewegingen van de jaren tachtig. En hun radicale potentieel vergoten, in plaats van een steriel, eenzijdig image te promoten.

003 Asad Haider – Mistaken Identity

Identiteit = miskenning?

Dit boek is een goede, compacte kritiek op identiteitspolitiek. Nu niet meteen steigeren: Asad Haider is geen apathische, witte man die miskent dat anderen, die niet helemaal voldoen aan de universele, algemene, neutrale standaard die witte mannen voor zichzelf stellen, weleens andere ervaringen zouden kunnen hebben. Eerder is zijn boek een poging terug te grijpen op een revolutionaire traditie van identiteitspolitiek, die hij herleidt tot het socialistische Combahee River Collective. In het neoliberale, gedepolitiseerde heden, waarin pessimisme, separatisme en louter performatieve identiteitspolitiek de plek hebben ingenomen van een radicale kritiek van de status quo, is zo’n hersteloperatie hoogst noodzakelijk. Identiteitspolitiek zoals die nu bedreven wordt is de status quo, zo stelt Haider: het is een individualistische methode, perfect verenigbaar met de liberale manier waarop we over het subject nadenken, waarin alleen we aanspraak kunnen maken op rechten en politiek handelen door onszelf op te stellen als individuen die gegriefd zijn door het leven in een land waarin je niet helemaal voor vol wordt aangezien. Haider beklemtoont dat deze grieven terecht zijn, maar merkt terecht op dat ze niet kunnen worden verholpen door opname in de kapitalistische status quo. Ras is een ideologie die van meet af aan diende om de arbeidersklasse, bestaande uit witte en zwarte subjecten, verenigd tegen een gedeelde, kapitalistische vijand, uit elkaar te spelen. Racisme is het product van deze rassenideologie, niet andersom. En het is, helaas, een geslaagd product. Maar dat komt niet door inherente, individuele witte privileges, waarvan witte mensen zich nu eindelijk bewust moeten worden. Het komt door kapitalistische, imperialistische elites die er belang bij hebben als onderdrukking gezien wordt als een psychologisch feit, in plaats van een structureel mechanisme.

Haider schetst in zijn boek achtereenvolgens hoe, vanaf eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, de erfenis van deze revolutionaire traditie van identiteitspolitiek opgesplitst raakte, verkruimelde en gecoöpteerd kon worden. Bewegingen waarin coalities werden gebouwd, waarin racisme werd verbonden met kapitalisme en imperialisme, werden uit elkaar gedreven. Deels met geweld – denk aan de moord op Malcolm X, Fred Hampton en Martin Luther King – maar ook door een verandering van politieke strategie: in plaats van coalities te bouwen die over identiteiten heen reikten, vond er een terugkeer plaats naar een culturele, nationalistische idee om de zwarte gemeenschap bij een te brengen op grond van huidskleur.

Hoewel dit een emancipatoire werking had, maakte deze herijking het ook mogelijk om machts en klasseverschillen tussen zwarte mensen uit te wissen en de contradicties van het kapitalisme die ze veroorzaken te verdoezelen, en dit paradoxaal genoeg juist door de successen van de burgerrechtenbeweging die ervoor zorgden dat zwarte mensen steeds minder discriminatie ondervonden en sociale mobiliteit binnen handbereik kwam. Het ontstaan van een multiraciale elite, bemiddeld en met liberale, pluralistische waarden, haalde de angel uit de meer militante acties van de burgerrechtenbeweging omdat ze resultaten boekte binnen de bestaande instituties en structuren. Zo bleef het verdeelmechanisme in stand, en herhaalde zich binnen de zwarte gemeenschap wat zich eerder tussen zwarte en witte mensen had voltrokken: een fataal wegvallen van solidariteit, ondanks gedeelde belangen, door materiële condities aan het zicht te onttrekken en een psychologische, morele, individualistische schuld in het debat te injecteren. De massabewegingen kalfden af, ook om andere redenen, en de neoliberale individualisering van de jaren tachtig deed de rest: identiteitspolitiek en culturele representatie, waarin het draait om de authenticiteit van het zelf, verdrongen organisatie en directe actie als middelen voor politiek handelen, en een idee van persoonlijke verantwoordelijkheid nestelde zich in het discours.

Haiders analyse is belangrijk. Hij komt duidelijk uit een marxistische, universalistische traditie, maar is zeker niet als reductionistisch weg te zetten, als een gemakzuchtig pleidooi om klasse centraal te stellen ten koste van identiteit. Eerder plaatst hij gender (een categorie die hij trouwens onbehandeld laat, omdat ze een fundamenteel andere analyse vergt, waarvoor hij Judith Butlers Gender Trouble aanraadt) en ras binnen klasse, niet als subjectieve ervaringen, maar als materiële effecten van kapitalistische structuren. Hij fileert de idealistische poging om één categorie, of het nu sekse, klasse of ras is, te isoleren van haar materiële inbedding in de wereld, in geschiedenis, in concrete ervaringen. Die drie-eenheid, met intersectionaliteit als heilige graal, dient vaak vooral een instrumenteel belang. Van een term met een specifieke, juridische connotatie en toepassing is ze een lakmoesproef geworden voor de correcte manier van analyseren, zonder de inhoud in aanmerking te nemen.

Onlangs nog kwam ik hiervan een voorbeeld tegen. Enkele weken terug bracht Dipsaus, een podcast gemaakt door vrouwen van kleur, een aflevering uit waarin de serie The Handmaid’s Tale, naar het gelijknamige boek van Margaret Atwood, werd gekastijd om de gebrekkige representatie en analyse van ras. Ewald Engelen, tot ergernis toe bekend om zijn kritiek op identiteitspolitiek, reageerde op Twitter met de opmerking dat klasse er anders ook bekaaid van af kwam, wat weggewuifd werd met een definitie van intersectionaliteit: klasse, sekse en ras snijden elkaar, zonder verdere toelichting. Dat is natuurlijk waar, maar evengoed was het zo dat klasse als categorie in de analyse van Dipsaus geheel ontbrak, en dus had Engelen, ondanks zijn grove uithaal, ook wel een punt hier. Deze korte uitwisseling demonstreert precies het gevaar dat Haider ontleedt: de reductie van politiek tot miskende identiteit. Mistaken Identity verschaft de instrumenten om zowel zulk idealisme als het even improductieve klassereductionisme van Engelen te bekritiseren.

002 Paolo Giordano – De hemel verslinden

In het kort: dit is niet zulke goede literatuur.

Wat langer: de stijl is vlak en zowat alle thema’s die langskomen (klimaatactivisme, klasseverschillen, de Noord-Zuid tegenstelling in Italië, religie, familiebanden…) blijven aan oppervlakte. Giordano zeilt erbij langs, doet er niets mee. De hoofdpersoon, de burgerlijke Teresa uit Turijn brengt haar zomers door op het Zuid-Italiaanse platteland en wordt verliefd op de charismatische Bern, die geadopteerd is door de religieuze, eigenzinnige boer Cesare, die zich ontfermt over jongens als hij, zonder familie, zonder wortels. Hij is deel van een drietal, die geen bloedband hebben, maar toch bloedbroeders zijn. De zomerliefde duurt voort tot ver in de dertig en Teresa’s leven is dan volkomen verstrengeld geraakt met dat van Bern en zijn broers. Ze is vervreemd geraakt van haar verzorgde leventje, geeft haar studie op, haar familiebanden en leeft in een soort commune met Bern, zijn broers en nog een ander stel. Maar dit valt uit een en iedereen raakt verwijderd van elkaar. Het is allemaal niet bestemd voor de eeuwigheid. We get it. Meer lijkt het boek ook niet te willen zeggen. Teresa hangt apathish boven haar leven, en haar ervaringen zouden tot krachtige, wringende zelfreflecties, bijvoorbeeld over haar fetisjering van de onderklasse. Het boek zou kunnen snijden in de verdeelde geschiedenis van Italië en haar politieke erfenis. Maar we moeten ernaar gissen. En dan is er nog het anthropoceen. Als dat woord dan valt, is het vooral plichtmatig. De kracht van de term is dat het voorgrond en achtergrond compliceert: er is geen natuur aarde waartegen zich het menselijke handelen afspeelt, de aarde zelf dringt zich op. Maar dit boek is 450 pagina’s lang voorgrond en nog eens voorgrond, de rest is decor. Personages die de hemel willen verslinden, die te idealistisch zijn, worden verzwolgen door de aarde. Is dat wat het boek wil zeggen, misschien? Ik vind het niet genoeg. De zinnen zijn bedekt met een dikke, verstikkende laag melancholie, en alles wat de personages doen is gestiek: grote gebaren. Ik voel het niet. Bern is een baron in een boom zonder wortels, en dat blijft zo.




Arie Altena over Onder normale omstandigheden

Begin januari verschijnt mijn nieuwe bundel: Lief slecht ding. Onder normale omstandigheden is dan alweer drie jaar oud. Maar nog steeds kom ik reacties tegen die ik nog niet kende, zoals deze, mooie van Arie Altena, uit zijn leesdagboek 2016. ‘Stel je voor dat dat deze gedichten niet zouden bestaan.’ Stel je voor, inderdaad! Voor mij is dat nauwelijks denkbaar. Ik zou niet geleefd hebben. Sowieso een mooi dagboek dit. Dezelfde boeken bliezen ons omver dat jaar (Tsing, Haraway, Stengers). Ook wat Andrej Platonov (die ‘interessant en problematisch’ wordt genoemd, daar wil ik meer van weten). Al die schrijvers en denkers zijn in Lief slecht ding terechtgekomen. Bijeffect: ik heb ook zin gekregen om weer te gaan bloggen, alsof het gewoon 2004 is.

Le Guin

Le Guin is tot nu toe geweldig, zoals verwacht. Gedachte-experiment: hoe werkt een anarchistische samenleving in de praktijk? Hoewel, Samuel Delany heeft een uitgebreide kritiek geschreven op – volgens mij – dit boek. Moet ik eens opzoeken.

Met Obe bij het biercafé in L. Het jaar doornemen, vooruitkijken. Benieuwd naar zijn glossy cum debuutbundel. Volgens mij ben ik aan het landen.

Distinct Dutch Voices: profiel op Poetry International Web

Poetry International Web publiceerde een profiel over mijn werk, inclusief verse vertalingen uit Onder normale omstandigheden. Dank aan Donald Gardner, mijn vertaler, en aan (de verkeerd gespelde) Laurens Ham voor de fijne intro. Kijk voor nog meer vertalingen en geluidsopnames bij Lyrikline, de website van Literaturwerkstatt in Berlijn. 

The Dispossessed

1984 weggelegd en begonnen in The Dispossessed van Ursula Le Guin. Te deprimerend. Ik zoek iets opwekkenders, wil sombere gedachten verdrijven. Ben ook eigenlijk meer benieuwd naar de reportages van Orwell, de Spaanse burgeroorlog. Bij Le Guin een mooi onderscheid tussen gemeenschap en collectiviteit: de laatste kenmerkt zich door een massagevoel, de eerste heeft zoveel emoties als ze leden heeft. Heb hier vaak over gesproken met Caglar. Le Guin vind ik troostend. En ik ben niet meer zo hard tegen troost. Het is wel actieve troost, de troost van de nieuwe mogelijkheden. Dat is misschien geen groost meer. ’s Middags naar de stad, boodschappen doen (Turks, Indonesisch) en aan het bier met Ton, fulltime blogger. Lekker. Goed weerzien. Het lijkt de hele dag te schemeren. December, waarschijnlijk.

001 Ali Smith – Winter

Covers
Herfst en winter.

Deel twee in het seasonal quartet van Ali Smith, in 2017 aangevangen met Autumn. Een van mijn favoriete romanschrijvers van dit moment. Dit is een echt boek voor het seizoen, het begint op kerstavond en eindigt op Boxing Day. Familieleden komen bij elkaar, politieke scheidslijnen openbaren zich en wonden worden opengereten, dit alles tegen de achtergrond van recente Britse verwarring. Nostalgie en hoe verder. Het idee om een romancyclus over de seizoenen te schrijven is zo simpel, te simpel denk je eigenlijk. Maar het wordt ontzettend goed uitgevoerd. Of Smith komt ermee weg? Ze herhaalt het trucje en frustreert het, zodat ze wel een soort roman over geïsoleerde mensen in een desintegrerende samenleving oproept maar iets anders schrijft, dat zich onder de woorden bevindt, dat nog geen genre heeft. Dit vind ik het knappe. Ze brengt landschappen in kaart, zowel natuurlijke, politieke, artistieke als mentale, en legt ze over elkaar. De stijl is zowel associatief als informeel, of informeel als associatief, en zit vol alledaagse poëzie. Daar moet je tegen kunnen. Maar het is evenzogoed analytisch: zo krijg je nature writing dat geen nature writing is maar politiek commentaar en andersom. Sentimenteel maar ook echt wel sterk vaak. Haar personages lopen tenminste niet in een maatschappijloos vacuüm. Tijden worden in elkaar geschoven (het is niet zo eenvoudig als: winter is politieke verstarring, lente is politieke vernieuwing) en gedestabiliseerd, wat raakt aan de thema’s van het hele kwartet: Brexit, klimaatverandering, post-truth (post-everything, eigenlijk), intergenerationele dislocatie, migratie, en de noodzaak van nieuwe verhalen, verhalen die vanuit verbondenheid en niet vanuit scheiding vertrekken. Smith is niet cynisch. Ik bemerk bij mezelf dat ik haar louterende woorden wel lees, er zelfs behoefte aan heb, maar ze dan ook weer afwijs. ‘Darkness is cheap’, mottoot het boek bij monde van Charles Dickens (ding dong). Misschien ben ik gewoon de cynicus? Op naar de lente.